Startpagina De tand des tijds

"Zeg Frits, hoe vaak doe jij het?" Huh? Dat is nou niet bepaald een vraag die mij als 58-jarige dagelijks wordt gesteld. Van de week wel. Ik kwam net de afdeling binnenlopen waar ik, als tekstschrijver van een groot adviesbureau, organiek onder val. Er werken uitsluitend twintigers en dertigers, met uitzondering van ondergetekende dus. Toen ik binnenstapte verkeerde het druistige gezelschap 'collegaatjes' in die snel vervliegende ogenblikken van lome meligheid waarmee de lunch meestal eindigt.

Alle ogen werden gericht op kwatta. "Nou, hoe vaak Frits?" Ik probeerde het met de opmerking "bijna elke dag", die gevolgd zou moeten worden door "bijna op maandag, bijna op dinsdag, bijna op woensdag" enzovoort, maar die grap kenden ze al. "Hij heeft het in ieder geval drie keer gedaan!" riep één van de jongedames monter, daarbij refererend aan mijn evenzovele kinderen. De jongste is 29, dus volgens die redenering zou het wel heel lang geleden moeten zijn.

Ik ben een kind van de jaren '60, maar dat betekent allerminst dat ik tussen een broodje kaas en een broodje leverworst mijn seksleven bloot leg. Die jongelui hebben daar weinig moeite mee. Ze praten over de voors en tegens van ochtendseks alsof het om het percentage meervoudig onverzadigde vetzuren in smeerbare halfvolle roomboter gaat. Ik denk dat mijn generatie het taboe van de seks weliswaar theoretisch heeft doorbroken, maar wegens persoonlijke remmingen terugschrikt voor de consequenties ervan. De kinderen van deze tijd gaan daar in het algemeen volmaakt ontspannen mee om.

Het thema van de boekenweek is ouderdom en ik ben er inmiddels aardig depressief door geworden. De laatste tijd worstel ik sowieso met de vergankelijkheid. Ik begrijp beter dan ooit in welke gemoedstoestand Gerard Reve verkeerde als de overledenen hem bezochten. En dan krijg je de ouderdom ook nog eens in allerlei literaire gedaanten voor je kokosnoot.

Gisteravond zag ik 240 jaar aan schrijvers bij Pauw & Witteman, die trouwens ook niet meer tot de jongsten behoren. Harry Mulisch, Henk Hofland en Jan Blokker. Drie keer tachtig, als ik het goed begreep. Na afloop van het programma wist ik niet zo goed of ik naar een hoogtepunt of een dieptepunt had gekeken. De heren maakten een geestelijk vitale indruk, maar alleen al het feit dat ik op kleine tekenen van mentaal verval zat te letten, zegt al veel. Dat doe ik nou nooit bij Joost Zwagerman, ook al vind ik in de regel een half uur durend betoog van hem oneindig veel minder interessant dan één rake opmerking van Hofland of Blokker.

Maar toch. Blokker zei iets over Polen "die natuurlijk ook niet deugen" en ik dacht: wie herkent hierin jouw meesterhand der ironie en wie ziet je als het type oude man dat niet alleen hardop boertjes en winden laat, maar ook steeds ongegeneerder discriminerende teksten uitslaat? En dan was er het moment waarop Blokker even niet op het woord kruidvat kon komen. Hij bereikte het met twee tussenstops, maar toen rolde het ook zonder mankeren over zijn lippen. Hij had het nog niet gezegd of Mulisch prevelde: "Kruidvat." Een slecht getimede correctie, waar Mulisch zelf een beetje van schrok. Hij keek enigszins beteuterd zoniet onbeholpen en dat nam mij warempel voor hem in. Blokker wierp zijn leeftijdgenoot een blik van uitdaging en verbijstering toe. In zijn ogen las ik het onuitgesproken verwijt: "Zelfs al denk je dat ik aan het dementeren ben, dan nog hoef je dat niet op deze manier te laten blijken." Ook voor zo'n verspreking geldt dat zoiets de jongste, laat staan de beste kan gebeuren. Maar de twijfel knaagt. En de tijd schrijdt voort.